Productie van microbiële metabolieten
Er wordt veel onderzoek gedaan naar de productie van microbiële metabolieten.
Dit beperkt zich op dit moment hoofdzakelijk tot de zogenaamde korte-keten
vetzuren (azijnzuur, propionzuur en boterzuur). Van de vetzuren is bekend dat
boterzuur noodzakelijk is voor een gezonde darm. Ten eerste verkrijgen epitheel
cellen in vivo ongeveer 70% van hun energie uit boterzuur. Tevens is aangetoond
dat boterzuur de vorming van colon kanker tegen gaat. Ook de twee andere
vetzuren hebben elders in het lichaam een functie. Met name bij landbouwdieren
dragen deze vetzuren bij tot zo'n 30% van de dagelijks noodzakelijke energie.
Deze korte-keten vetzuren worden voornamelijk geproduceerd door fermentatie
van koolhydraten ((polymeren van) suikers). Daarnaast vind er in de dikke darm
ook fermentatie van eiwitten plaats. Dit geeft aanleiding tot de productie van
allerlei kwalijke stoffen, zoals bijvoorbeeld ammoniak en fenolische verbindingen,
maar ook het zeer stinkende gas H2S, dat een rotte-eieren geur heeft. Sommige
van deze stoffen kunnen de darmwand irriteren, waardoor cellen in de darmwand
afsterven en de barrière-functie (het afsluiten van de 'buitenwereld', de inhoud
van de darm, voor het lichaam) verloren gaat, doordat de afgestorven cellen
'gaten' laten vallen in de één-cellige laag van de darmwand.
Andere kwalijke stoffen kunnen na opname in het lichaam de lever beschadigen
of migraine aanvallen veroorzaken. Door de productie van deze toxische
verbindingen is het wenselijk om eiwit-fermentatie te voorkomen en koolhydraat
fermentatie te bevorderen, zodat er met name gezondheidsbevorderende
microbiële metabolieten geproduceerd worden.
In een project in TIM-2, TNO's in vitro model van de dikke darm (zie artikel op
Kennislink over dit model), is gekeken in hoeverre dit in vitro model een bruikbaar
model is om de metabole activiteit van de microbiota, na toevoeging van
lactulose (een koolhydraat), te bestuderen in vergelijking met een experiment
met humane vrijwilligers. Uit dit project bleek dat er verschillen in activiteit die in
TIM-2 samples te meten waren, terwijl die verschillen afwezig waren in in vivo
samples (faeces samples) (zie afbeelding 4).
Er zit een groot tijdsverschil tussen de plaats van fermentatie van lactulose (het
begin van de colon) en de plaats van analyse in het in vivo experiment de faeces
(is net woord voor poep). Dit kan oplopen tot 36 uur. In die tijd worden de meeste
metabolieten geproduceerd door de microbiota in het begin van de colon
opgenomen door het lichaam en is er in het faeces geen verschil te meten. TIM-2
echter staat sampelen toe op de plek van fermentatie, waardoor er wel een
duidelijk verschil was aan te tonen.
Het bleek zelfs mogelijk met moleculaire DNA-technieken om de micro-
organismen verantwoordelijk voor fermentatie van lactulose aan te tonen. Dit is
een goed voorbeeld van het gebruik van in vitro modellen om het
werkingsmechanisme van bepaalde dieet componenten te bestuderen. Hieruit
bleek dus dat er na toedienen van lactulose heel weinig boterzuur werd
geproduceerd. Op zich, gezien het gezondheidsbevorderende effect van
boterzuur, is dit natuurlijk niet een gewenst effect. Maar gelukkig zitten er in een
normaal dagelijks dieet voldoende andere componenten die wel aanleiding tot
boterzuur productie geven. Maar juist om het mechanisme van lactulose te
onderzoeken waren deze andere componenten weggelaten uit het onderzoek in TIM-2.
![]() |
Afb 4. Procentuele productie van de korte-keten vetzuren azijnzuur, propionzuur en boterzuur in TIM-2 en in humane proefpersonen vóór (controle) en ná een dieet met 10 gram lactulose per dag (lactulose). De monsters uit TIM-2 laten een duidelijk verschil zien in metaboliet productie, terwijl de faeces monsters van de humane vrijwilligers juist helemaal geen verschil tonen. |
In een ander project is ook met behulp van TIM-2 gekeken is naar de productie van allerlei microbiële metabolieten. Hierbij is naast korte-keten vetzuren ook gekeken naar een beperkte set van andere metabolieten, met name toxische verbindingen van eiwit-fermentatie zoals ammoniak en fenolische verbindingen. Daarnaast is het model geïnfecteerd met een pathogeen, Clostridium difficile, om te kijken naar het effect van een overgroei van dit micro-organisme op de darmgezonheidsstatus. Uit dat project is naar voren gekomen dat de metabole activiteit van de microbiota te sturen is naar een meer gezondheidsbevorderende activiteit.
Productie van verscheidene toxische metabolieten (door Cl. difficile) kon verlaagd of tot nul terug gebracht worden na toevoeging van een koolhydraat (zie afbeelding 5). Hoewel het precieze werkingsmechanisme nog niet opgehelderd is, is dit een belangrijke eerste stap, die het in de toekomst mogelijk moet maken om dit soort processen nader te bestuderen.
Terug naar het overzicht

