Invloeden
De enzymwerking kan door verschillende factoren worden beïnvloedt :
a. De temperatuur
b. De zuurgraad
c. De enzymconcentratie
d. De co-enzym afwezigheid
a. De Invloed van de temperatuur
Doordat enzymen eiwitten zijn, is de activiteit van enzymen afhankelijk van de
temperatuur. Als de temperatuur wijzigt, wijzigt ook de ruimtelijke structuur van
het enzym.
Ieder enzym heeft een optimale activiteit bij een bepaalde temperatuur. Bij een
lage temperatuur zijn de meeste enzymen niet actief, doordat de deeltjes te traag
bewegen. Bij hogere temperaturen (boven 50°C) kan een enzym ook niet meer
functioneren, door denaturatie (het verlies van de ternaire en quarternaire
structuur). De enzymwerking is maximaal rond de 37°C. Dat is niet voor niets de
lichaamstemperatuur van de mens. Wanneer we bijvoorbeeld koorts hebben, dan
vermindert onze enzymwerking, doordat onze lichaamstemperatuur stijgt.
Andersom gaat het bij onderkoeling : dan daalt onze enzymwerking, doordat
onze lichaamstemperatuur daalt.
b. De Invloed van de zuurgraad
De activiteit van een enzym wordt ook beïnvloed door de zuurgraad (pH).
Bepaalde enzymen, zoals peptase in de maag, werken goed tot zeer goed in een
zuur milieu (pH < 7). Andere enzymen, zoals trypsine in de darmen, werken enkel
in basisch milieu (pH >7).
c. De Invloed van de enzymconcentratie
Ook de enzymconcentratie heeft een grote invloed op de enzymwerking.
Wanneer een enzym met een afnemende concentratie inwerkt op een substraat,
is de werking het grootst bij de hoogste concentratie. Dat wil niet zeggen dat
enzymen bij lage concentratie niet actief zijn, integendeel. Dit wijst ook op het
herbruikbaar zijn van een enzym na een reactie.
Dit zijn reeds bekende enzymen:
Amylase
Cellulase
Desaturase
DNA-polymerase
Elongase
Katalase
Lactase
Lysozym
Monoamino-oxidase (MAO)
Pectinase
Peptase
Protease
Restrictie-enzym
Trypsine
RNase L
d. De co-enzym deficiëntie of afwezigheid (depletio)
Wanneer een bepaald specifiek co-enzym niet op hetzelfde tijdstip, op dezelfde
plaats en in de juiste verhouding aanwezig is, kan een bepaald enzym niet worden
geactiveerd.
Een goed voorbeeld is het -samenspel- van B12 en intrinsic factor, ijzer en
vitamine C, die promoten de absorptie ervan door de intestinale cellen. Het
ontbreken van één van deze stoffen of het niet gelijktijdig aanwezig zijn ervan op
dezelfde plaats of in de verkeerde verhouding, kan tot een bepaalde vorm van
bloedarmoede (anaemie) leiden, zoals perniciosus anaemia . Dit betekent dat het
niet volledig enzymatisch kunnen afbreken van een bepaalde vleessoort of
vissoort of gevogelte, gedurende langere tijd, uiteindelijk leidt tot een B12 tekort
(depletio) en zo tot deze aandoening. Zo ook kan een intrinsic factor tekort
(depletio) leiden tot verminderde of geen absorptie van vitamine B12 door de
intestinale cellen en zo ook tot dezelfde perniciosus anaemie. Het niet kunnen
aanmaken (synthetiseren) van intrinsic factor, een hormonale stof, kan
verschillende oorzaken hebben. Zo kan het zijn dat deze intrinsic factor niet wordt
afgescheiden (secretie) door bepaalde maagcellen, door de pars pylorica of door
een erfelijke vorm, die zelden voorkomt.
Terug naar het overzicht
