Enzymremmers
Wil het enzym zijn effect kunnen uitoefen, dan moet tussen enzym en substraat
een kort en hecht contact zijn. Wanneer het substraat (dat normaal bindt aan zijn
enzym) concurrentie krijgt van een molecuul "competitieve inhibitie" waarvan de
structuur erg lijkt op die van het substraat kan het de werking remmen. Het
competitieve molecuul bindt met het enzym en zorgt ervoor dat het enzym niet
kan binden aan zijn normale substraat, waardoor de reactie wordt verhinderd.
Deze stoffen kunnen celprocessen remmen of stoppen. Voorbeelden van
enzymremmers zijn sommige pesticiden, zoals DDT, die de werking van
belangrijke enzymen in het zenuwstelsel tegengaan. Veel antibiotica remmen
specifieke enzymen in bacteriën. Zo blokkeert penicilline het actieve deel van een
enzym, dat veel bacteriën gebruiken om hun celwanden op te bouwen. Andere
gifstoffen remmen de enzymwerking doordat ze zich op een andere plaats van
het enzym hechten "noncompetetive inhibitie", waardoor de vorm verandert en
de werkzaamheid van het enzym wordt verhinderd. Het substraat kan zich niet
meer binden aan de "active site" (=de plaats waar het substraat aan het enzym
bindt en de katalytische reactie van het enzym plaatsvindt), omdat deze een
conformatieverandering heeft ondergaan en zodoende geen "induced fit"
(sleutel(=substraat) / slot(=active site) principe) kan plaatsvinden tussen substraat
en enzym.
Terug naar het overzicht
