Het cellulaire component
Niet-specifieke immuniteit vormt, na niet-immunologische factoren als huid en
secreten, de eerstelijns verdediging tegen infecties.
fagocyten (Grieks: phagein = eten, kutos = holte, cel) Fagocyten zijn
polymorfonucleair (Grieks: polus = meer, (morphè) = vorm, Latijn: nucleus
= kern) en komen voor in slijmvliezen en weefsels. Deze fagocyteren (fagocytose
= op eten) daar lichaamsvreemde objecten zoals bacteriën.
macrofagen (Grieks: makros = groot, grote eters) Macrofagen zijn afkomstig van
monocyten. Monocyten ontwikkelen in het beenmerg tot verschillende typen
macrofagen. Bepaalde vreemde structuren bevorderen de fagocytose direct, of
indirect (opsonisatie) na binding van humorale factoren (bijvoorbeeld
antistoffen). Een macrofaag presenteert vreemd materiaal na fagocytose op het
celmembraan om de ontwikkeling van de specifieke afweer te bevorderen.
neutrofiele granulocyten: (Latijn: neuter = geen van beiden= neutraal; Grieks:
philein = houden van, Latijn: granulum = korrel; De kern ziet er 'korrelig' uit en
kleuren bij een kleurstof met neutrale pH)
Zie ook dendrietcellen, basofiele granulocyten (kleuren met een basische
kleurstof) , monocyten (Grieks: monos = alleen; een celkern) , Natural Killer cellen,
eosinofiele granulocyt (kleuren met eosine) , mestcellen (deze bevinden zich niet
in het bloed maar in de weefsels die in contact staan met de buitenwereld)
Terug naar het overzicht
